| |
Naamval |
Functie(s) |
| 1e | Nominativus | Onderwerp, naamwoordelijk deel van het gezegde.
|
| 2e | Genetivus | Zekere bijvoegelijke bepalingen, nl. die waarin wordt uitgedrukt een - bezit(sverhouding) - oorsprong/afkomst - verwijdering - gedeeltelijkheid. |
| 3e | Dativus | Meewerkend voorwerp -geeft doel of richting aan van de handeling van het werkwoord (truckje: vraag aan wie of wat + persoonsvorm). |
| 4e | Accusativus | Lijdend voorwerp -geeft aan wat door de handeling ontstaat, wat de handeling ondergaat of raakt (truckje: vraag wie of wat + persoonsvorm). |
| 5e | Instrumentalis | Bijwoordelijke bepaling die uitdrukt het middel waarmee, de ruimte waardoorheen of de tijdsspanne gedurende een handeling wordt uitgevoerd. |
| 6e | Locativus | Bijwoordelijke bepaling die de plaats of tijdstip aangeeft waarop de handeling wordt uitgevoerd. |
| 7e | Vocativus | Heeft geen grammaticale functie en wordt slechts in een aanroeping of aanhef gebruikt. |